In - lijn teelt - FBMC

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

In - lijn teelt

NIEUWS

7.1 Genetica

7.1.1 Genetische invloeden en leefmilieu invloeden
           7.1.2 Het selecteren
           7.1.3 Inleiding over inteelt, lijn­teelt en een outcross

7.1.1 Genetische invloeden en leefmilieu invloeden

 Een elementaire kennis over genetica, of wel in goed Nederlands erfelijkheid, is nuttig maar biedt anderzijds toch geen enkele garantie op succes. Erfelijkheid bij dieren blijft een groot mysterie, zodat we steeds opnieuw voor verrassingen komen te staan. Dat maakt het fokken zo boeiend. Indien het fokken van goede dieren zo eenvoudig was dat men gewoon twee kampioenen aan elkaar koppelde om opnieuw kampioenen te krijgen dan zou iedereen uitmuntende dieren kunnen fokken.
Wij hebben bij onze dieren twee invloeden die het uiterlijk bepalen, de erfelijke invloeden (de genetische invloeden dus) en de invloeden van het leefmilieu. De erfelijke eigenschappen heeft een dier verkregen van zijn ouders door erfelijke overdracht, doch deze eigenschappen kunnen beïnvloed worden door zijn zoals voeding, verzorging, huisvesting, vroeg, tijdig of laat geboren zijn. Is het met de voeding of huisvesting niet in orde dan zullen productie, (vlees- en eierenproductie), bouw en groei van het dier minder zijn dan men op grond van erfelijke aanleg had mogen verwachten. De erfelijke invloeden liggen in het dier besloten en zijn door hem van de ouderdieren ontvangen. Wij kunnen echter niet zeggen dat bepaalde uiterlijke eigenschappen van een dier van de ouderdieren zijn meegekregen, maar slechts dat de aanleg hiervan van de ouders wordt meegekregen. Deze aanwezige aanleg zal door een goed leefmilieu volledig tot ontplooiing kunnen komen.

7.1.2 Het selecteren
Voor de verbetering van een bepaalde eigenschap van een ras, behoord men een selectie toepassen van dieren die in aanmerking komen voor het verdere fokprogramma. Men heeft daarbij een beeld voor ogen van het ideaal wat men wil bereiken en datgene wat er niet mee overeenstemt of er ver van afwijkt. Voor sommigen is de kleinste afwijking al voldoende om de betreffende dieren te verwijderen.
Maar dit is ook de beste handelswijze om op korte termijn tot goede resultaten te komen. Dieren met één slechte eigenschap voor een bepaald lichaamsdeel kunnen worden verwijderd ofwel worden ze gepaard met dieren met een uitmuntende eigenschap voor dat bepaald lichaamsdeel. Een goed fokprogramma begint dus met een goed selectiebeleid.
7.1.3 Inleiding over Inteelt, lijn­teelt en een outcross
Naast het zorgen voor een uitmuntend leefmilieu, en het daarna streng selecteren van de ouderdieren waarmee men wil gaan fokken krijgen we te maken met het toepassen van inteelt, lijnteelt enoutcross. Inzicht over de voordelen en risico’s van deze begrippen moeten niet onderschat worden. Naast het inzicht hebben van deze begrippen, hoort dan wel daarnaast een nauwkeurige registratie/administratie aanwezig te zijn van de generaties die achter de geselecteerde ouderdieren liggen. Simpelweg omdat men anders niet kan weten of men bezig is met inteelt, lijnteelt of outcross!
Voor inzicht te krijgen over inteelt, lijnteelt en outcross is dit hoofdstuk de inleiding over deze berichten ingevoegd. Deze inleiding bevat informatie afkomstig uit verschillende bronnen.
*Inteelt
De definitie van inteelt is het doen paren van twee individuen in dit geval galliformes die nauw aan elkaar verwant zijn: vaderBij paring van bloedverwanten in de eerste graad spreekt men ook van incestteelt. Inteelt is de meest vlugge manier om uniformiteit vast te leggen, omdat het een concentratie van genen geeft en omdat als men er mee doorgaat alle hieruit geboren galliformes dezelfde genetische constructie zullen hebben. Soms kan het type in één generatie van inteelt worden vastgelegd. Soms worden broer en zuster gepaard als de combinatie van de reu en de teef in kwestie bijzonder veel succes heeft. Als men een dochter aan de vader paart wordt het "bloed" van de vader geconcentreerd. Als men de eigenschappen van de moederhond wil vastleggen, dan wordt de moeder met de zoon gekruist of met een halfbroer of die dezelfde moeder heeft.

Ofschoon soms ieder denkbaar defect ten onrechte in verband wordt gebracht met inteelt, is het zo dat inteelt geen problemen veroorzaakt, als het met zorg wordt gedaan. Inteelt concentreert (vermenigvuldigt als het ware) eigenschappen die al aanwezig waren en inteelt brengt verborgen eigenschappen (=recessief aanwezig) aan de oppervlakte. Dit kan uit de aard der zaak wenselijk of juist ongewenst zijn. Daarom heeft inteelt alleen succes, als exempla­ren van het ras met voortreffelijke eigenschappen en met weinig of geen recessieve genen voor serieuze fouten worden gebruikt. Er moet dus een strenge selectie plaats vinden op gezondheid, immuniteit, karakter en positief gewenste eigenschappen van een dier. Als men goed met inteelt omgaat, is het een manier om het bloed van een uitzonderlijke dier vast te leggen en zo invloed te hebben op een gehele lijn. Een dier, dat voorkomt uit een echt juiste inteelt, kan grote invloed hebben. Hij zal redelijk zuiver de hoedanigheden die hij duidelijk vertoont vererven en zal ze daarom ook vrij constant doorgeven. Dit geldt nog sterker voor een dier, die voorkomt uit twee generaties inteelt of uit een combinatie van dieren, die voorouders hebben uit lijnteelt of uit dezelfde lijn, waarbij een minimum aan outcross (=bloedverversing) met de voorouders is gedaan.
*Wanneer men moet afzien van inteelt
Met dieren van uitzonderlijke kwaliteit, die geen enkele fout opdubbelen, kan inteelt zonder gevaar worden voortgezet gedurende verschillende generaties. Zo nu en dan zou een outcross of lijnteelt moeten worden gedaan om nodige verbetering aan te brengen. Als de resultaten niet aan de verwachtingen voldoen, kunt u te maken hebben met te veel recessieve fouten en dan moet u stoppen met uw inteelt. Sommige geven er de voorkeur aan alleen gedurende een enkele of twee generaties met inteelt te werken, precies lang genoeg om één of twee deugdelijke eigenschappen in de lijn vast te zetten. Anderen gaan er mee door zolang, tot in de opeenvolgende generaties geen verbetering meer te zien is of totdat er geen dieren voor inteelt beschikbaar zijn, die goed passen.
Lijnteelt
Lijnteelt betekent twee dieren met elkaar paren, die aan beide kanten van de stamboom gezamenlijke voorouders hebben, maar die moet zo nauw verwant zijn als bij inteelt. De dieren, waarmee lijnteelt wordt gedaan, moeten dieren zijn van een type dat men wil behouden. Lloyd Brackett stelt in zijn uitmuntend boek "Planned Breeding", dat als men zegt dat een dier uit lijnteelt afkomstig is, onze eerste vraag zou moeten zijn: "Uit welke lijnen dan wel?" Een stamboom, die eenvoudigweg één of twee dieren opdubbelt heeft geen waarde, tenzij deze dieren van een buitengewoon type waren, een type dat men zou willen behouden. Lijnteelt op twee dieren van middelmatige kwaliteit is bijna net zo gevaarlijk als inteelt op dieren met hetzelfde defect.

Lijnteelt is het meest veilige programma op de lange termijn, omdat gewenste en niet gewenste trekken geleidelijk aan over verscheidene generaties heen worden vastgelegd. Omdat fouten zelden tegelijkertijd aan de oppervlakte komen, kan er in gedeeltes mee worden afgerekend. Met lijnteelt kan men voor onbepaalde tijd doorgaan, mits in de lijn dieren voorkomen die de fouten, die men tegengekomen is, kunnen verbeteren. Ofschoon lijnteelt langzamer werkt dan inteelt, komt lijnteelt tenslotte uit op een uniforme dominante lijn, meestal bij de tweede of de derde generatie. Als inteelt en lijnteelt in een fokprogramma worden gecombineerd, kan het resultaat een zeer sterke stamboom zijn.

Lijnteelt echter alleen om de stamboom is absurd. De dieren moeten elkaar ook als individuele typen aanvullen. De lijn moet het versterken ervan waard zijn, anders kan de fokker zijn problemen verdubbelen. Net als bij inteelt moet soms een outcross worden gedaan om de benodigde verbetering te krijgen.
 
Een veel gehoorde mening is, dat het meest waardevolle dier, wat het fokken betreft, er één is met een stamboom waarbij lijnteelt gedaan is. Deze dieren zullen zichzelf gelijkmatiger vererven dan een dier uit voorouders die geen relatie met elkaar hebben. Een dergelijke dier kan gebruikt worden om een gevestigde lijn voort te zetten of hij kan bij lijnteelt gebruikt worden om een nieuwe lijn te vormen. Hij kan bij inteelt gebruikt worden of er kan met hem een outcross worden gedaan naar behoefte; en hij zal dan altijd nog enigszins voorspelbaar vererven. Het fokken door middel van inteelt of door middel van een outcross is aan meer grenzen gebonden.
*Een outcross
Een outcross wil technisch zeggen, dat er twee dieren worden gebruikt die geen familie van elkaar zijn. Twee dieren uit verschillende lijnen, die afkomstig zijn uit inteelt, kunnen met elkaar gepaard worden en brengen dan een "eerste generatie outcross" voort, zoals dat genoemd wordt. De daaruit voorkomende nakomelingschap zal, als deze dieren terug gepaard worden aan dieren uit elkaars lijn, jongen uit lijnteelt genoemd kunnen worden. Het op dergelijke manier toepassen van een bloedverversing kan ons anatomisch een goed gebouwde dier brengen. Outcrossen die gewoon gedurende verscheidene generaties gedaan worden, kunnen niet worden beschouwd als afkomstig uit een gepland fokprogramma, tenzij er een strenge selectie wordt gedaan met het type als basis. Als en de genetische achtergrond en het fenotype (=het zichtbare zoals het is ontstaan uit samenwerking van erfelijke aanleg en het beïnvloedende milieu) van het dier verschillend zijn, dan is het fokprogramma in geen enkel opzicht gericht. Het is goed om te weten dat bloedverversing in een gevestigde bloed­lijn een heel moeilijke opgave is.
*De grenzen van inteelt
Omdat inteelt eenvoudigweg hoedanigheden vastlegt, die al in een lijn bestonden, is het mogelijk dat fouten zowel als deugden worden vastgelegd. Inteelt moet eigenlijk nooit worden gedaan met minder dan "top" dieren en wordt ook niet aanbevolen, als onvoldoende kennis over voorouders over tenminste drie generaties aanwezig is. Een exemplaar van een slechte kwaliteit, dat voor inteelt wordt gebruikt, is in een fokprogramma meer te verafschuwen dan een minder goede dier uit verschillende lijnen afkomstig. "Top" dieren zijn echter niet altijd de drager van de fok! Ervaring geeft vaak ook het tegendeel aan. In wezen is het meest belangrijke welke dier in zijn genen de dominantie bezit om zijn goede kwaliteiten en eigenschappen over te dragen aan zijn nakomelingen!
Nadat een bepaalde hoeveelheid dieren die nauw verwant zijn; zijn gebruikt, kunnen sommige fouten aan de oppervlakte komen. Met iedere generatie van inteelt wordt het moeilijker om ze er uit te fokken en het dier van slechte kwaliteit die afkomstig is van inteelt, zal dominant worden wat betreft het voortbrengen van zijn fouten.

Deze kennis brengt dus met zich mee dat we dieren moeten fokken die voldoen aan het gewenste type. Hier kan aan worden toegevoegd dat de erfelijkheidsgraad voor de anatomie (fenotype) ongeveer 60 procent bedraagt terwijl de erfelijkheidsgraad voor het karakter en het gedragspatroon in de vaderlijke componenten bij ongeveer 16 à 18 procent en in de moederlijke componenten bij ongeveer 20 tot 30 procent ligt. De teef vererft dus sterker de karakter eigenschappen door dan de reu. Scott en Fuller hebben dit al in 1965 aangetoond d.m.v. diverse testen op het gebied van de ontvankelijkheid. Maar zoals in het begin van dit hoofdstuk al beschreven, moet men echter voor ogen houden dat de genetische constitutie (=de verzameling van de erfelijke aanleg) een bepaalde invloed heeft op het fokresultaat, maar de maternale invloed (=door het milieu waarin men leeft) het meest essentieel van invloed is. Iedereen zal echter begrijpen dat achter deze stelling in de praktijk een gecompliceerd samenspel schuilt van verschillende soorten erfelijkheidsmechanismen, verschillende doorslaggevende erfelijke eigenschappen en verschillende intensiteit en invloed van het milieu.
Nogmaals, fenotypische negatieve anatomische eigenschappen zijn dus door inteelt gemakkelijker te elimineren dan negatieve karakter eigenschappen. Deze erfelijkheidsgraden liggen echter altijd nog hoog genoeg voor een succesvolle selectie.

Als een fokker de dieren afkomstig van een inteelt op de keper gaat beschouwen, moet hij zonder enig pardon bij zijn beslissing blijven dat hij alleen een uitzonderlijk goed exemplaar zal aanhouden en er voor zorgen, dat alle andere worden uitge­sloten van het fokken. Wat men moet onthouden is, dat inteelt niet, zoals oudewijvenpraat ons zou doen geloven, een probleem zal scheppen. Inteelt veroorzaakt eenvoudig een concentratie van dat wat al genetisch aanwezig was voordat het voortdurend aan de oppervlakte begon te komen. Elke karakteristieke eigenschap kan door het in fokken verbeterd of verslechterd worden en kan door inteelt versterkt worden of verzwakt. Daarom, omdat het altijd verleidelijk is om een dier te gebruiken met een fantastische stamboom ongeacht zijn individuele kwaliteiten moet men zich altijd bewust zijn van mogelijke valkuilen, speciaal bij een dier van inteelt afkomstig.
*Heterosis
Met in het achterhoofd de gedachte dat alle fokkers er nu toch maar eens naar moeten gaan streven hun fokmateriaal kritisch en bij voortduring te gaan toetsen aan de norm ,,gebruikswaarde" is het interessant in dit verband de term ,,heterosis" nader toe te lichten. Heterosis is de wetenschappelijke naam voor bastaard­kracht en duidt op de toename van levensvatbaarheid, vruchtbaarheid, weerstand, etc. en in de meest gunstige vorm leidend tot een gemiddeld beter kwaliteit van de nakomelingen vergeleken met de ouderdieren. Dit effect treedt op bij kruising van niet verwante dieren,waarbij er van uitgegaan wordt dat de gunstige genen dominant zijn over de minder gunstig, kortom wanneer heterozygotie gerelateerd wordt aan kwaliteitsverbetering. Heterosis kan slechts dan zich duidelijk manifesteren wanneer de beide ouderdieren geen enkele directe verwantschap hebben bijvoorbeeld twee dieren van een verschillend ras. Binnen een ras is al veel minder effect te verwachten. Om toch op enigerlei wijze te trachten iets van het heterosiseffect in de nakomelingen terug te zien past men dus in feite in extreme vorm een foksysteem toe dat het omgekeerde is van inteelt: we spreken dan over uitteelt. In het algemeen spreken we van uitteelt wanneer de te paren exemplaren een mindere onderlinge verwantschap vertonen dan het gemiddelde van de totale populatie. Volkomen uitteelt is binnen het ras zo goed als uitgesloten. Altijd is er wel een gemeenschappelijke voorouder te vinden.
Wanneer we spreken over ,,inteelt" is deze term niet steeds juist. In vakjargon wordt in principe alleen van inteelt gesproken als het gaat om ouder nakomeling kruising of broer-zus kruising. Soms nog van de combinatie tussen halfbroer en halfzus. De overige kruisingen tussen verwanten rangschikken we onder ,,lijnenteelt". Gemakshalve spreken we meestal bij een gemeenschappelijke voorouder tot en met de vijfde generatie van ,,inteelt".
*Consequenties van inteelt
Bij inteelt worden zowel gewenste als nietgewenste eigenschap­pen vastgelegd in de nakomelingen door de grotere mate van homozygo­tie in de kenmerken. De fokker komt er wel beter achter wat de erfelijke aanleg van zijn fokdieren is. Bij volgende paringen kan hij hiermee zijn voordeel doen. Hoe nauwer de inteelt, hoe meer naar voren komt wat er aan gene­tisch materiaal aanwezig is. Nauwe inteelt kan pas succesvol zijn als gelijktijdig een strenge selectie toegepast wordt. Vast staat dat in de fokkerij van onder meer het toepas­sen van inteelt cq. Lijnteelt, gepaard gaat met depressieve kenmerken met name polygeen verervende eigenschappen zoals vruchtbaarheid, vitaliteit en weerstand tegen ziekten nemen af naarmate de inteelt toeneemt. Afgezien van de selectie op kwalitatieve eigenschappen vraagt ook het kwantitatieve deel van het geneti­sche spectrum de nodige aandacht, in het bijzon­der betreffende de nietrastypische kenmerken.
*Consequenties van uitteelt (=outcross)
Het probleem van uitteelt wordt gevormd door het gegeven dat de verkregen toename van heterozygotie weliswaar gunstig is voor de eerste generatie, maar dat verder fokken leidt tot duidelijke kwaliteitsafname. Dit effect wordt nog versterkt als de oorspronkelijke ouderdieren ieder voor zich afstamden uit een behoorlijke ingeteelde lijn. Er zijn zoveel verschillende genen dat de variatie in de tweede generatie en verder dusdanig is toegenomen dat van enige uniformiteit gaan sprake meer is. (Variatie verschillen ontstaan door erfelijke aanleg; daartegenover staat modificatie: verschillen onder invloed van milieu factoren). Voor de fokker is dan het levensgrote probleem ontstaan op welke voorouder hij terug moet gaan fokken om toch maar iets van de inmiddels ruim voorhanden goede eigenschappen te kunnen behouden. De fokkers van rundvee gebruiken om deze redenen dan ook een uitteelt meestal uitsluitend voor de productie van een generatie slachtdieren. Het leveren van fokdieren vraagt om een andere methode.
Bij de succesvolle dieren zijn vaak uitgeteelde exemplaren, doch de beste nakomelingen zijn doorgaans verwerkt door inge­teelde exemplaren. In het algemeen is het zo dat het toepassen van een strenge selectie meer resultaten oplevert dan het plegen van een uitteelt, in ieder geval op de langere termijn. Slechts bij het duidelijk optreden van inteeltdepressieverschijnselen is het zaak een ,,outcross" toe te passen.
Tot slot over heterosis, het bekende hybride
Door het bijeenbrengen van vreemde erfelijke eigenschappen van twee individuen van verschillend ras, vertonen hun nakomelingen een kwaliteitsverbetering, waarin ze hun ouders in veel opzichten overtreffen.
Echter, fokken we met deze nakomelingen verder, dan loopt dit effect snel terug.We moeten ons dus beperken tot één eerste generatie.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu