Artikel over Alaskan Malamute training maar informatief voor iedereen. - FBMC

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Artikel over Alaskan Malamute training maar informatief voor iedereen.

NIEUWS

Jean-Claude Smet,

Een groot Alaskan Malamute musher op Europees en wereld niveau . Met enige kennis van zaken deed hij moeite om een artikel te schrijven, om zijn kennis over te dragen. Het raakt in vergetelheid, maar ik sleur het op iedere PC mee. We zijn 15 jaren later, en nog steeds heeft deze zijn waarde, omdat het werken met honden nu eenmaal niet zo veel veranderd.
Ik deel deze dan ook met fierheid aan jullie mee, dat ik hem heb gekend en ervan heb mogen leren.

Dit artikel heeft enige controverse mogen kennen, maar wordt er niet gezegd dat de waarheid soms pijnlijk kan zijn ?

Alaskan Malamute Musher

DE HOND
Iedere hond is een apart gegeven, met een zekere genetisch afkomst en een zekere loopcapaciteit.
Het kiezen van een hond blijft een riskante zaak, zeker bij pups. (Zie verder).
Je weet nooit bij voorbaat hoe goed de hond zal worden en je kan alleen maar proberen de hond in optimale omstandigheden op te bouwen.
Twee aspecten zijn hier heel belangrijk, namelijk het lichamelijke en het mentale aspect. Dit laatste wordt te veel vergeten.
Veel mushers realiseren zich te weinig dat een hond in de eerste plaats loopt omdat hij dat plezierig vindt en niet omdat wij dat plezierig vinden.
Dit moet trouwens steeds de basisleuze blijven.
Op training moet een hond zich amuseren.
Op wedstrijd iets minder, maar voor hij het beseft is het daar al te laat voor en is de wedstrijd voorbij.

MENTALE TRAINING - CONDITIONEREN
Iedere doorsnee hond wil lopen, de ene al wat sneller dan de andere.
Kijk maar naar de start van een wedstrijd, waar ALLE gespannen staan te bonken om te vertrekken.
Sommigen vallen al na 100 meter stil, maar daar gaan we wat aan doen.
Het komt er op neer dat de musher de rol van het "hondenverstand" gaat overnemen. Maak je geen zorgen, de hond voelt zich daar goed bij.
Hij is van nature een roedeldier, dat gewoon is signalen van dominante dieren op te volgen en zijn plaats in de hondenmaatschappij kent.
Vergeet nooit dat jij de roedelleider, de alfa-reu (of-teef) bent.
Wij gaan de honden dus leren trekken, draven en galopperen op commando.
Dit conditioneren van de honden houdt echter ook zekere gevaren in.
Je werkt eigenlijk volgens het systeem van PAVLOV, waar een bepaalde gebeurtenis (commando) een bepaalde reactie uitlokt.
In het PAVLOV experiment gebeurde dit met een belsignaal dat door de hond werd geassimileerd met voedsel.
De conditionering gaat zo ver dat de hond bij het belsignaal reeds begint te kwijlen, zelfs als er geen voedsel komt.
Bij het lopen gaat het erom dat de hond gaat galopperen, zelfs al wil hij dat liever niet.
Het gevaar ligt hierin dat bij een goede conditionering, de hond uiteindelijk ook op commando zal galopperen wanneer hij dat lichamelijk niet meer aankan.
Dit vereist een uitstekend inschattingsvermogen van de musher, die er zelf voor moet zorgen dat zijn honden binnen hun mogelijkheden blijven.
Dit risico wordt groter naargelang we van Alaskan Malamutes over Husky’s naar Alaskans gaan.
Uitputting en oververhitting zijn ALTIJD een gevolg van een verkeerde inschatting van de MUSHER.
Vergeet NOOIT dat een gespan maar zo goed is als de zwakste hond ervan en dat je hele training en wedstrijd op die hond moet afstemmen.

DRAVEN
Een hond leren draven op commando is één der makkelijkste leerprocessen.
Het volstaat om het gespan vanuit galop af te remmen tot ze in draf gaan. Belangrijk is wel dat je bij het remmen steeds hetzelfde commando geeft. Wat dat is maakt niet uit, een bepaald woord of fluitsignaal is voldoende, zolang het maar steeds hetzelfde en duidelijk herkenbaar is.
Na verloop van tijd zullen de honden dan vanzelf in draf overgaan bij het horen van dat commando.
Het lijkt niet erg logisch dat je honden moeten draven om snel te gaan, maar toch is het zo.
Een dravende hond gaat net zo snel als een traag galopperende hond en toch recupereert hij, waar hij dat in galop niet doet.
Het is dus belangrijk dat je bijvoorbeeld bij een helling de honden al van in het begin ervan kan laten draven.
Stel het volgende: er komt een helling aan en je honden galopperen.
Je jaagt ze verder in galop tot ze halverwege de helling stilvallen.
Het resterende stuk kruipen ze omhoog en in de afdaling zitten ze nogsteeds kapot.
Daar verlies je meer tijd dan je kan goedmaken.
Het moet zo: aan de voet van de helling laat je je honden draven, tot boven. Je komt misschien iets trager boven, maar ondanks de helling recupereren de honden onder andere op hun zuurstofschuld, zodat je er bergaf in volle galop vandoor kan.
_
GALOPPEREN
Het voorgaande is makkelijk gezegd, maar hoe krijg je je honden in galop?
Eerst en vooral dit, honden - vooral Malamutes - zijn echte clowns en werken zelden of nooit op 100% van hun mogelijkheden
Ieder van ons werd al geconfronteerd met het volgende gegeven.
Je hebt net 6 kilometer training achter de rug en de honden zijn moe.
Wat je ook doet, ze zijn niet meer in galop te krijgen.
Tot plots, vijftig meter verder, een konijn de trail oploopt en je de kart moet vastgrijpen, verrast als je bent door de plotse tussenspurt.
Op dat moment komt de jacht- of achtervolgingsdrift van de honden boven en vergeten ze hun lichamelijke toestand (zie conditioneren der honden).
Of het volgende: je loopt een wedstrijd en het wil maar niet lukken.
De honden hebben gewoon geen zin.
Plots word je voorbijgestoken door een sneller gespan.
Van dan af kan je enkel je remmen nog dichtknijpen en krijg je de indruk dat het gespan voor jou niet meer vooruitgaat, hoewel die toch al één of twee minuten heeft goedgemaakt.
Deze laatste situatie kunnen we makkelijk op training simuleren, een konijn africhten is wat moeilijker.
Het volstaat om achter een ander sneller gespan te starten om het juiste effect te bekomen.
Heb je geen gespan bij de hand, dan voldoet een vriend (echtgenote~) met een fiets (bromfiets?) ook.
Dit is zelfs nog beter omdat daar de snelheid aangepast wordt aan de trainingstoestand van je honden, terwijl je een sneller gespan moeilijker kan vragen om te wachten!
De bedoeling is dat je de fietser eerst laat vertrekken en je honden een aantal seconden later.
Je zal zien dat de fietser vrij snel problemen krijgt om voor te blijven, zodanig dat je de startinterval kan gaan verhogen om uiteindelijk tot 2 minuten te komen (cfr wedstrijd).
De honden weten dan nog steeds dat er iets voorop loopt en gaan jagen. Vergeet niet ook het voorbijsteken van de fietser te oefenen, anders krijg je later met een echt gespan ook problemen.
De honden denken anders immers dat het gewoon de bedoeling is de fietser of het gespan in te halen en er dan achter te blijven.
Op wedstrijd heeft dit nare gevolgen bij het voorbijsteken.
De leidhonden weten dan plots niet meer wat er van hen wordt verwacht.
Een veel voorkomende fout is het overmatig aansporen van honden bij de start, zodanig dat ze een tijd voluit gaan om dan terug te vallen op hun kruissnelheid.
Op dat ogenblik hebben ze al zoveel energie gebruikt dat ze lange tijd niet meer in galop te krijgen zijn.
Een halve fond loper legt de eerste 1000 meter toch ook niet of in 10 seconden! ?
Natuurlijk is het de bedoeling dat de honden het volledige parkoers galopperen, maar dat is volgens mij een utopie.
Met mijn Malamutes ben ik er in ieder geval nog niet in geslaagd.
Je mag geen angst hebben om je  honden na een paar honderd meter al terug naar draf te laten gaan.
Dit laat hen toe om vrij snel te recupereren, gezien de zuurstofschuld en dergelijke dan nog vrij klein is.
Bovendien kan je ze iets later al terug laten galopperen, waar ze anders al op hun kruissnelheid (draf) zaten,
Het sleutelwoord voor dit alles is INTERVALTRAINING.
Bij de hond heeft dit twee grote voordelen.
Net als bij de mens verhoogt zijn pieksnelheid, maar bovendien wordt de hond gefrustreerd door de vele haltes en wil hij zelf opnieuw - in galop - vertrekken.
Dit vertrek gebeurt dan ook steeds met de "galop" commando.
Wanneer je moet vertrekken hangt enkel van je honden af.
Maak je niet ongerust, dat wordt vrij snel duidelijk.
Op voorwaarde dat je honden snel genoeg hebt laten stoppen, zodat ze nog genoeg prestatie vermogen over en willen ze zeer snel terugvertrekken.
Probeert ze zo lang mogelijk tegen te houden en als je voelt dat je het gespan niet meer staande houdt, laat je ze gaan met het commando galop. Na honderd meter of  zodra je ziet dat één hond wil gaan draven, geef je het commando draf en iets later doe je ze weer stoppen.
Het geheel begint dan weer van vooraan.
Uiteindelijk valt de halteperiode volledig weg en bestaat het interval enkel nog uit galop en draf.
Vergeet niet dat bij intervaltraining de rustperiode in principe even lang is als de loopperiode.
Een halteperiode lijkt steeds langer te duren dan in werkelijkheid.
Aarzel dan ook niet om op je horloge te kijken. Wanneer dit principe galop-draf eenmaal goed functioneert, moet je het tijdstip van je commando aanpassen aan je traagste hond. Een gespan is net als een ketting, namelijk' net zo sterk als zijn zwakste schakel. Het heeft totaal geen nut dat alle honden voluit gaan, terwijl er eentje draaft en niet kan volgen.

Het geheel moet als een groep functioneren, dwz. samen in galop en samen in draf.
Zeker in het begin zal je je afvragen waarmee je bezig bent.
De trainingstijden gaan drastisch achteruit en je staat meer stil dan je loopt.
Maak je geen zorgen, dat komt allemaal in orde, maar het vergt een aantal maanden.
Misschien dat dit je ietwat kan geruststellen.
Mijn eerste trainingstijd op kilometer dit seizoen(13-09-94) bedraagt 37'19" wat niet bepaald snel is.
Ik stop dan ook zo'n 10 keer onderweg, zodanig dat de honden nog vrij fris over de aankomst komen.
Langzamerhand worden de tijden sneller, vooral omdat er minder haltes zijn onderweg.
Een dikke maand later gaan wij toch zo'n 15 minuten sneller en is het tijd om het parkoers te verlengen.
Ook bij parkoersverlengingen niet vergeten de nodige stops in te bouwen en steeds blijven chronometreren.
Je hebt die trainingstijd echt nodig om je een idee te vormen van de conditie van je honden.
Af gaan op de manier waarop ze hebben gelopen is te vaag en geeft teveel aanleiding tot vergissingen.
Een gespan dat volgens jou machtig gelopen heeft kan een slechte tijd opleveren, terwijl je de keer daarop hoegenaamd niet tevreden bent en er toch een kanontijd uitkomt.
Je kan daar echt geen staat op gaan.
Nog een aardigheidje is het stoppen in het zicht van de eindstreep (camionette) en het geven van een speciaal commando in de zin van "GO HOME" als je ze weer laat vertrekken.
Op wedstrijd wil dat commando ook wel eens lukken, zelfs al ligt de eindstreep nog een dikke kilometer verwijderd.
_
BELONEN EN STRAFFEN
Als de honden de bevelen galop en draf opvolgen ben je al heel ver.
Ergens onderweg spelen hierin ook positieve en negatieve stimuleringen een rol (beloning en straf).
Vergeet nooit dat je een hond direct moet bestraffen als hij iets mispeutert, zoniet is het oorzakelijk verband weg.
De hond ziet de straf dan enkel als een misplaatst machtsvertoon dat hij niet heeft uitgelokt.
Vergeet niet dat een hondenroedel opgebouwd is volgens een dictatoriaal principe.
Wat de alfa-hond (musher) zegt is wet.
Een hond die iets misdoet en niet gestraft wordt, maakt er al snel een gewoonte van dezelfde fout te herhalen.
Nu is onmiddellijk bestraffen, vooral met een groot gespan, een probleem. Je kan het gespan niet snel genoeg doen stoppen om de straf efficiënt te houden.
Enkel straffen met de stem helpt hier dan nog enigszins.
Al de rest zijn min of meer vijgen na Pasen.
Laat ons dus maar proberen de honden zo weinig mogelijk gelegenheid te geven om iets te misdoen en zoveel mogelijk te belonen.
De vele stops tijdens de beginperiode van de trainingen zijn een ideale gelegenheid om de kart op de handrem te zetten en tot bij de honden te gaan; een schouderklopje en een bemoedigend woord doen hier wonderen en laten de hond uiteindelijk toe deze woorden te associëren met een verbale beloning, ook tijdens het lopen.
Let hier vooral op de intonatie van de stem, hoge zangerige stemmen komen overeen met een beloning, lage stemmen en korte kreten met een terechtwijzing of straf.
Wat moet je dan doen met honden die echte onhebbelijkheden vertonen, die steevast plassen op dezelfde plaats, aan plassen drinken, bijten bij het voorbijsteken...
Hiervoor kan ik je geen standaardoplossing geven.
Op te merken valt wel dat dergelijk gedrag frequenter voorkomt naargelang het gespan trager gaat.
De honden hebben dan gewoon meer tijd om het "zotteke" uit te hangen. Een hond is een gewoontedier.
Zo zijn er honden die op training altijd op dezelfde plaats plassen, of ze nu dringend moeten of niet.
Stop eens 10 meter voor die plaats en laat ze in galop terug vertrekken. Normaal stopt de hond dan niet.
Na een paar trainingen, afhankelijk van hond tot hond, is de gewoonte weg en wordt er niet meer gestopt.
Drinken aan plassen is ook zo'n probleem.
Het kan zijn dat je hond dat gewoon nodig heeft (gewoonlijk bij te dikke honden) en dan geef je hem best water of een soort bouillon enige tijd voor het vertrek.
Helpt dit ook niet, stop dan met de hond in het midden van de plas en ga naast hem staan.
(Niet vergeten de kart op de handrem te zetten).
Zodra de hond drinkt, geef je hem een tik.
Doet dit een paar maal met de plassen waar hij gewoonlijk drinkt (meestal steeds dezelfde) en hopelijk lukt het wel.
Honden die bijten bij het voorbijsteken vormen een ander probleem.
Dat kan je eigenlijk alleen verhelpen met de bijstand van een ander musher.
Jij vertrekt eerst en wat verder stop je.
Je laatje dan inhalen door het tweede gespan. Op het ogenblik dat je hond uithaalt naar dit gespan, moet je hem verbaal bestraffen. "NO" of iets dergelijks, voorafgegaan of gevolgd door de naam van de hond, voldoet ruimschoots.
De voorbij stekende musher profiteert hiervan om de hond (in het passeren) een tik op de neus te geven.
De hevigheid van de bestraffing is hier recht evenredig met de hevigheid van de uitval van de hond.
Zeker de eerste maal mag dat een ferme tik zijn.
Je zal zien dat de hond de straf zeer snel associeert met zijn uitval en vrij snel kalmeert.
Zodra dit is bereikt, kan je een wisselwerking opbouwen, die tegelijk een volledige intervaltraining uitmaakt.
Je vertrekt eerst, stopt en laat je inhalen door de tweede.
Die stopt een paar honderd meter verder, waarop jij hem inhaalt om dan wat verder zelf te stoppen, enzovoort.
Dit vereist natuurlijk voorafgaandelijk de nodige afspraken en minstens twee mushers die samen trainen.
Bovendien is trainen in groep plezanter dan alleen en je houdt dat heel wat langer vol. Vooral wanneer het regent geeft die onderlinge afspraakje net de nodige motivatie om toch te gaan.
Voor alles zijn er zo wel wat oplossingen, meestal met wisselend succes.

Een gouden raad is hier dat je je licht moet opsteken bij ervaren mushers en dat je nooit mag denken dat je het allemaal wel weet.
In verband met de wisselwerking straffen ik er trouwens voorstander van de honden zoveel mogelijk te belonen.
Iedere beloning sterkt het vertrouwen van de hond en versterkt de relatie met de baas.Het is absoluut fout de hond aan de aankomst of bij het einde van een training te bestraffen.
ledere hond, ongeacht hoe goed of slecht hij heeft gelopen, heeft onderweg wel iets goeds gedaan en verdient een beloning.
Bij mij neemt dit nogal extreme proporties aan, die al heel wat mushers met gefronste wenkbrauwen heeft doen toekijken.
Ik heb immers de gewoonte om de leidhonden reeds te belonen voor zij vertrekken, omdat zij de treklijnen gespannen hebben gehouden tot alle honden ingespannen zijn.
Op wedstrijd lijkt dit wat vreemd en overbodig, gezien het aantal helpers, maar op training is dit bittere noodzaak.
Ik ga immers veel alleen trainen en dan is het inspannen van 12 honden geen makkelijke opdracht.

TRAININGS MATERIAAL
Het belangrijkste item van je trainingsmateriaal is de kart.
Of die nu drie dan wel vier wielen heeft, doet er weinig toe.
Belangrijk is dat zij zwaar genoeg is en over goede remmen beschikt.
Bovendien is een handrem absoluut een must.
Teveel mensen trainen met hun wedstrijdkart en steppen of lopen dan nog zoveel mogelijk mee om de honden zo snel mogelijk te laten gaan.
Volgens mij is dit totaal verkeerd. Trainingen dienen in de eerste plaats om de honden te leren trekken en dat kan moeilijk als je steevast meeloopt.
Bovendien sta je dan plots voor nare verrassingen bij sneeuwwedstrijden, waar de meelopers plots minder goede resultaten halen.
Meelopen of steppen mag natuurlijk wel, maar enkel daar waar de honden het echt zwaar krijgen en waar ze anders stapvoets zouden gaan of zelfs zouden halt houden. Pas ook het gewicht van je kart aan, aan het aantal
honden. Een te trekken gewicht van ongeveer 20 kilogram per hond lijkt me ideaal. Ook de breedte van de banden speelt een grote rol.
Een kart van 100 kilogram, gemonteerd op vier BMX wieltjes zal stukken sneller gaan dan bijvoorbeeld een quad van hetzelfde gewicht.
Anderzijds heeft de quad ook een groter remoppervlak.
Heb je enkel een wedstrijdkart, dan kan je nog wel wat oplossen door er    gewoon een autoband achter te hangen.
Deze sleept dan over de grond en zorgt voor voldoende wrijving om je honden te verplichten stevig door te trekken.

GESCHIKTE  HONDEN
Ik hoor je al zeggen: dat is allemaal heel mooi wat hier geschreven staat, maar met mijn honden lukt dat niet.
Inderdaad, het is mogelijk dat je nooit een wedstrijd zal winnen met de honden die je nu hebt.
Ik kan je echter wel garanderen dat ze, na verloop van tijd, sneller zullen gaan dan ooit tevoren.
Heb je al honden, dan kan je enkel proberen daar het maximum uit te halen.
Absolute voorwaarde hiervoor is dat de honden MAGER staan.
Iedere kilogram vet is onnodig gewicht dat meegesleurd moet worden.
Mager betekent natuurlijk niet uitgemergeld.
Ribben en heupen moeten duidelijk voelbaar zijn, je moet er bij wijze van spreken xylofoon op kunnen spelen, dan is het goed.
Geef je hond een prestatievoer, eender hetwelk, maar beperk de dagelijkse hoeveelheid ervan.
Wat malamutes betreft is voor de meeste honden - een dagelijkse hoeveelheid droogvoer van 300 tot 400 gram, vermeerdert met zo'n 100 gram vlees, ruimschoots voldoende (hoeveelheid in volle trainingsseizoen - 5 trainingen per week).
Vul de kom bij met water, zodanig dat de hond een "gevuld" gevoel heeft. Het vlees dat ik bijgeef heeft - in vergelijking met droogvoer - weinig voedingswaarde en dient vooral als smaakgever om ervoor te zorgen dat al het water wordt opgedronken.
Laat in godsnaam NOOIT voeding ter beschikking van je hond gedurende de ganse dag. Zet de kom voor zijn neus en neem ze maximaal een halfuur later weer weg, ongeacht of hij ervan heeft gegeten of niet.
Ik hoor je al komen: ja maar, mijn hond is een moeilijke en een trage eter en hij eet slechts kleine beetjes in één keer.
Dat bestaat dus normaal niet en moet iets zijn dat jij hem zelf hebt aangeleerd.
Een hond stamt af van de wolf en heeft net als hij de mogelijkheid grote hoeveelheden voedsel in 1 maal op te nemen om hier nadien tot de volgende jacht op te teren.
De maag van de hond kan, wanneer vol, tot 10 maal zijn oorspronkelijke volume bereiken.
Ook hier gaat het om een gewoonte.
De hond kan in het begin koppig zijn en zijn eten laten staan.
Hij heeft echter snel door dat er niets meer komt als je het wegneemt.
Je moet hier wel consequent in blijven en geen tussendoortjes geven, dan draait hij wel bij.
Ik heb nog geen enkele hond weten sterven van honger voor een volle voederbak, omdat... hij het niet lustte.
Wat de keuze van de honden zelf betreft is goede raad duur.
Je keuze begint eerst met het ras van de hond.
De keuze daar hangt hoofdzakelijk af van de geaardheid van de musher zelf.
Het is niet voor niets dat men zegt dat de hond op zijn baasje lijkt, of is dat net omgekeerd.
Heb je het gekozen ras of had je al een hond en wil j e nu gaan mushen, dan moet je beslissen wat je verder gaat doen.
Koop je pups of koop je volwassen honden?
Beide oplossingen hebben voor en nadelen.
Bij het aanschaffen van een volwassen dier neem je een hond waarvan het karakter al gevormd is, maar waarvan de capaciteiten gekend zijn.
Ik zou ieder beginnend musher deze oplossing willen aanraden.
Je weet op voorhand wat je koopt en de teleurstellingen worden tot een minimum beperkt.
Bovendien kost een volwassen hond – bij raszuivere dieren - gewoonlijk minder dan een pup.
Natuurlijk verkoopt niemand zijn beste honden, dat zou wat al te gemakkelijk zijn.
Wat je wel kan kopen zijn "probleemhonden".
Ondanks de naam hoeven die niet echt een probleem te zijn.
Het zijn enkel honden die wat meer aandacht nodig hebben, waar je wat meer werk moet insteken.
Net dat laatste blijkt bij mushers met veel honden een probleem te zijn.
Een C-musher bijvoorbeeld zal 4 tot 6 honden intensief trainen.
Nochtans kan hij slechts met 4 honden wedstrijden lopen.
Alle anderen zijn eigenlijk "geldvreters" die niets opleveren.
Dat soort honden, dat gewoonlijk maar net iets minder goed is dan de
wedstrijdhonden, komt vroeg of laat te koop.
Zo'n hond kan een grote aanwinst zijn in je gespan en bijvoorbeeld stukken sneller gaan dan je eigen honden wanneer hij van een "topmusher" komt.
Bovendien werd je hond opgeleid door een ervaren musher en kunnen zowel jijzelf als je honden van dat dier heel wat opsteken.
Vraag steeds waarom de hond wordt verkocht, wat het probleem ermee is en of je hem mag proberen.
Je kan een relatief eerlijk antwoord verwachten omdat de mushingwereld zo klein is dat niemand zijn reputatie durft riskeren door je een loer te draaien.
Het kopen van pups is een heel ander probleem.
Niet alleen sta je zelf volledig in voor de opleiding van de pup, bovendien weet je NOOIT wat je koopt.
Ik ben vrij goed geplaatst om te weten wat ik vertel.
Uit het laatste nestje dat ik fokte (10 stuks, nu 30 maanden oud) zijn geen twee dezelfde honden gekomen.
Sommige zijn geboren lopers, andere zijn echte probleemhonden.
Je hebt er die onmiddellijk doorhadden wat ik van hen verwachtte, andere gaven me heel wat meer arbeid.
Omdat je nooit weet wat je koopt is het belangrijk dat je jezelf zoveel mogelijk kans op slagen geeft.
Ga NOOIT naar show- of beroepsfokkers.
Die mensen denken enkel aan hun portefeuille en hun honden zijn - vanwege de shows - totaal niet aangepast aan koerstoestanden.
Enkele beroepsfokkers (lees show-) hebben zich gerecycleerd in de mushingwereld omdat daar een gat in de markt was.
Hun koersresultaten spreken gewoonlijk boekdelen.
Geen aanrader dus.
Jammer genoeg laten veel nieuwe mushers zich verleiden om zo snel mogelijk 3 tot 4 honden te hebben en komen ze pas als het te laat is tot de conclusie dat ze bij de verkeerde hebben gekocht.
Beslis je om toch pups te kopen, stel dan eerst volgende vragen:
-      Wie zijn de ouders van de pup?
-       Lopen zij ook? Bij wie? Resultaten?
Is er al een nestje gefokt met dezelfde combinatie? Lopen die pups?
Bij wie? Resultaten?
-      Houdt de fokker zelf pups? Hoeveel?
Wanneer het hier gaat om een gekend musher, die zelfs pups houdt uit de combinatie die hij heeft gekozen, kan je erop aan dat hij veel goeds van verwacht en dat hem niet enkel om geld te doen is.
Kijk ook uit naar het buitenland.

Tekst overgenomen van Jean-Claude Smets

Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu